Chronisch ziek, vertellen of niet?

‘Ik zeg niets over mijn chronische ziekte op mijn werk, ik ben bang dat ze me dan niet meer serieus nemen en klussen bij me weghouden’

Moet je wel of niet open zijn over je ziekte of beperkingen op je werk?
Het is een dilemma waar veel mensen met een chronische ziekte mee worstelen. Angst om niet serieus genomen te worden, angst de baan kwijt te raken of niet zielig gevonden willen worden. Het kunnen allemaal redenen zijn om niets te zeggen over je chronische ziekte.
Dat kan er toe leiden dat je koste wat kost door blijft werken terwijl het helemaal niet goed is voor je lijf. Je loopt op je tenen om maar te voldoen en probeert zo goed mogelijk mee te komen. Thuis en in het weekend moet je bijkomen en zo kan het gebeuren dat je steeds verder achterop raakt of dat je steeds meer klachten krijgt.

Angst

De uitspraak van Willem aan het begin van deze tekst deed hij toen hij de allereerste keer bij me kwam. Hij was regelmatig door ziekte uitgevallen en zocht naar een manier om daarmee om te gaan en toch te kunnen blijven werken.
Samen hebben we onderzocht waar zijn angst uit bestaat. We zijn nagegaan of hij voorbeelden kon noemen van situaties in het bedrijf waarbij anderen niet serieus genomen werden als ze wel open waren. We hebben gekeken naar de waarde die werk en met name dit werk dat hij nu doet voor hem heeft. We hebben zijn wensen en verlangens onderzocht.

Willem kwam er achter dat hij het zo niet vol kon houden en hij wilde toch proberen wat openheid te geven over zijn aandoening. Samen hebben we gekeken hoe hij dat kon vertellen en vooral ook wat hij wel en wat hij niet wilde vertellen. Je hoeft niet je hele ziel en zaligheid op tafel te leggen en kunt kiezen wat je wel of niet wil vertellen. Wat is nuttig voor je werkgever of collega’s om te weten? Wat kun je wél? En hoe wil je dat je collega’s of je werkgever met je omgaat?

Openheid

In het geval van Willem waren zijn collega’s verrast om te horen over zijn aandoening. Ze hadden er nooit iets van gemerkt, zo goed had hij het gecamoufleerd. Eén van zijn collega’s gaf hem zelfs een compliment. Ze had gezegd dat ze hem een enorme doorzetter vond.
Met zijn collega’s kon hij goede afspraken maken over de werkverdeling waardoor hij iets meer ontlast werd. Het doemscenario dat hij niet meer serieus genomen werd, was niet uitgekomen.
Bij de onderhandelingen met zijn werkgever lukte het in eerste instantie niet zoals hij wilde. Een dag minder werken zoals hij gevraagd had kon voorlopig nog niet. Wel hebben we in een driegesprek bekeken wat er dan wel kon en spraken we af dat Willem wat vaker pauzes kon nemen, dat hij een ergonomisch onderzoek van zijn werkplek zou krijgen en kreeg hij het fiat om met zijn collega’s de taken zo te verdelen dat de voor hem zware taken door twee andere collega’s gedaan zouden worden.
Terugkijkend was Willem tevreden, niet alles wat hij wilde was gelukt, maar zijn openheid had wel zin gehad en hij voelde zich opgelucht dat hij er toch over begonnen was.
Twee jaar later sprak ik Willem nogmaals. Hij was inmiddels van baan veranderd en had nu een baan dichter bij huis voor hetzelfde aantal uren, maar minder belastend. De stap naar openheid had hem net dat zetje gegeven om verder te gaan zoeken naar iets dat nog beter bij hem, en bij zijn leven met een chronische ziekte past.